
Meisje! plaats dit frisse roosje,
Dat de nacht nauw worden zag,
Aan uw zachtbewogen boezem;
’t siert u slechts een halve dag.
Roosjes kwijnen, roosjes welken,
En hun blaadjes vallen af.
Meisje! sier u met het bloempje,
Dat nog welig bloeit aan ’t graf.
Godsdienst wierp er ’t eerste zaadje
Onbemerkt van in de grond,
En bezorgde ’t iedre morgen,
Drenkte ’t elke avondstond.
’t Rees, maar bloeide als ’t Nachtviooltje,
Ongezien door ’t vluchtig oog;
Maar de kenner rook zijn geuren,
En hij schatte ’t bloempje hoog.
Vraagt gij, hoe zich ’t bloempje noeme,
Dat zo needrig ’t oog ontvliedt?
Vruchtloos zoekt gij ’t bij Linneus,
Op zijn plantlijst staat het niet.
Wilt gij ’t echter garen weten?
Beste Meisje! smaak die vreugd.
In ’t Gedenkboek van de Hemel
Heet het lieve bloempje: Deugd.