Na België en Duitsland nam de Nederlandse staat in 1897 de interlokale verbindingen in beheer. De lokale netten niet, want die vergden hoge investeringen. Dat bleek een spijtige beslissing, want de lokale netten werden vervangen door een totaalnet met lokale uitlopers. En in veel plaatsen kon dat niet vanwege de lokale concessiehouder. Eind 1927 waren alleen nog de kostbare netten van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag in beheer bij de gemeenten. Pas in 1940 gingen ook deze netten naar het rijk.
De werking van de latere telefoon was als volgt. Als een abonnee aan de kruk of zwengel van zijn toestel draaide viel er in de centrale een klepje bij zijn nummer of ging er een lampje branden waardoor de telefoniste werd gewaarschuwd. De telefoniste vroeg dan vervolgens de naam en het nummer van de gewenste gesprekspartner. Met een koord werd de verbinding tot stand gebracht en een weksleutel zorgde voor een rinkelende telefoon bij de ontvanger. Als zij het gewenste contact tot stand had gebracht trok ze zich terug onder de standaardwoorden “Voorwaarts meneer”. Dan kon het gesprek beginnen.
In 1915 had Amsterdam al meer dan 10.800 aansluitingen. De telefonistes werkten in diensten van 8.00 tot 22.00 uur. Op het platteland waren de telefonistes meestal op zondag vrij en kon er dus niet gebeld worden. De telefonistes zaten in rijen in een zaal. Op een verhoging zat dan in de hoek van de zaal de chef van de telefonistes en dat was meestal een man. Vanuit zijn verhoogde positie kon hij de zaal overzien. Dienstpantoffels en speciale stemtrainingen moesten voorkomen dat de abonnees te veel overlast hadden van de drukte in de telefoonzaal.
De eerste telefoons hadden niet echt een hoorn. Ze hadden een microfoon op het toestel en een los oorstuk als hoorn. Een microfoon was om in te praten en met het oorstuk kon je de persoon aan de andere kant van de lijn horen. Dan was er ook nog een haak voor het oorstuk. Later werden de microfoon en het losse oorstuk samengevoegd in één hoorn.
Tot ver in de jaren veertig en zelfs nog in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw hing bij de meeste huisgezinnen het toestel nog aan de muur in de gang. Het idee was dat de telefoon alleen voor korte, zakelijke gesprekken en niet voor het voeren van langere persoonlijke gesprekken gebruikt zou worden. En zeker interlokaal waren de gesprekskosten te hoog om zo maar even te blijven kletsen. Het was ook een hele belevenis om te bellen. Huisvrouwen deden hun schort uit als ze gingen bellen, want dat stond netter en er kon natuurlijk ook iemand aan de deur komen. Tot ver in de vijftiger jaren was het niet ongebruikelijk dat er in een straat maar één of een paar telefoons waren. Buren die dan geen telefoon hadden en naar een familielid moesten bellen kwamen dan langs om te vragen of ze mochten bellen. Na afloop legden ze dan geld naast de telefoon voor de gemaakte belkosten.
In Nederland werd deze pas later toegepast, maar al in 1891 was de zogenaamde Strowger-kiezer in de Verenigde Staten al een begrip. De uitvinder was de begrafenisondernemer Almon B. Strowger. Hij was woedend over het feit dat de telefoniste (het bleek later de vrouw van de concurrent te zijn) zijn telefoonlijn weken bezet had gehouden. Daarom besloot hij dat de telefonistes moesten verdwijnen. Hij vond een automatische schakelaar (kiezer) uit met een groot aantal standen. Afhankelijk van het getal dat men op een kiesschijf draaide werden er één of meer stroomsignaaltjes naar de telefooncentrale gestuurd. De kiezer draaide daarop, afhankelijk van het aantal stroomstootjes, in een stand waarop deze contact maakte met een volgende kiezer. Als het tweede getal gedraaid werd deed de tweede kiezer weer hetzelfde. En zo ging dat door tot de verbinding tot stand gebracht werd. Het vormde de basis voor alle latere elektromechanische telefooncentrales.