
Als gij mij eens zult komen zeggen,
Dat gij mij straks voorgoed verlaat,
Dan zal ik stil mijn handen leggen
Rondom uw bleek en zacht gelaat.
Dan zal ik in uw ogen schouwen,
Die ik zo innig heb gekust,
En andermaal u toevertrouwen,
Wat in mijn diepste wezen rust.
De goede dood zal ons niet scheiden,
Hij is de wachter, die ons beidt
En tot de heerlijkheid zal leiden,
Aan gene zij van ruimt’ en tijd.