
Dan zweeft de mijm’ring
Mij door de geest
En ’t stil herdenken
Wat is geweest.
Verdwenen beelden
Zie ‘k voor mij staan,
En ‘k hoor nog stappen,
Die niet meer gaan.
‘k Verneem nog stemmen,
Al jaren stom,
Ik zie mijn doden
Nog eens weerom.
‘k Voel vroeg’re vreugd weer
En vroeg’re smart,
De wolk en ’t maanlicht
Zijn me in het hart.
En ‘k denk bij ’t letten
Op heil en ramp:
Ach! ’t ganse leven
Is als de damp.
Maar, schoon ’t zo vluchtig,
Zo ras ontwijkt,
Geen nood, als ’t hierin
Naar damp gelijkt,
Dat zich de golving
Ten hoge richt,
Dat in ’t vervliegen
Het stijgen ligt.