
Een haasje zat te kreunen aan
het kantje van de sloot.
Ze liep te hard en kneusde toen
haar linker achterpoot.
“Ach”, riep het haasje, “wat een kruis!
Hoe kom ik met dit pootje thuis?”
Zij deed haar best, maar het ’t lukte niet;
zij kon geen stap meer gaan.
En het huisje van de haas was hier
nog wel een uur vandaan.
De zon ging onder, het werd al laat.
Ze dacht zich moe, maar wist geen raad.
Wel kreeg het haasje veel bezoek
van dieren groot en klein
en ieder zei: “Wat zielig, hè?
Wat heeft die haas een pijn!”
Zij waren allen vol beklag
voor ’t haasje dat te kreunen lag.
Gelukkig voor het haasje kwam
toen Rein de Vos voorbij.
Hij hoorde wat er was gebeurd
en duwde elk opzij.
“Hou op!” riep hij “met dat beklag”,
toen hij het arme haasje zag.
“Ik heb uw hulp nu nodig, dus
droog alle tranen vlug
en til de haas voorzichtig op
en zet haar op mijn rug.
Want elke traan die je vergiet
is niets als je je hulp niet biedt.”
“Gelukkig”, zuchtte ’t haasje op
de rug van Rein de Vos.
“Ik zal de weg wel wijzen naar
mijn huisje in het bos.
Ik had warempel niet verwacht
door jou te worden thuisgebracht.”