Home / Gedichten / Eene bedenkelijke opschudding

Eene bedenkelijke opschudding

Dichter(es): J. Immerzeel Jr.
Jaartal: 1871
Met dank aan Jeanne Albers voor het insturen van de tekst

Er zat, een poos nog maar geleden,
In een van onze kleine steden,
Bij ’t vuurtje van den herbergshaard
Een zoet gezelschap saam vergaard.
Men koutte er vrij; ’t mocht vrij ook wezen;
Want ieder sprak met liefde en vuur
Van Willem en van ’t stadsbestuur.
De Burgervader werd geprezen,
Die ’t roer daar hield met vaste hand.
Maar zie! een onbekende kwant,
Meê in den halven kring gezeten,
Dorst zich beroemen (welk vermeten!)
Dat hij het achtbaar hoofd der stad
Secuur had bij den neus gehad,
En deze er kaal was afgekomen.
Men schrikt, men schreeuwt, men scheldt, men slaat.
En handig wordt onze overlaat
Gevoelig bij den kraag genomen
En heengesleurd, om door ’t gerecht
Gestraft te worden voor hetgeen hij had gezegd.
Nu doet de jonkman lachend hooren.
Dat hij voor ’t eerst, als nieuwe knecht,
Den Burgemeester had geschoren.



geschelschap: gezelschap welk vermeten!: wat een moed overlaat: onverlaat