
Toen ’t kindje op de wereld kwam,
Al uit zijn donker hoekje,
Toen dronken de vrienden wijnkandeel,
En ze wonden ’t in een doekje.
Al wie ’t kindje z’n luurtjes vouwt,
Leven ze lang dan worden ze oud,
En ze zullen te bruiloft komen,
Als ons klein kindje trouwt.
Toen ’t kindje op de wereld kwam,
Al uit zijn donker hoekje,
Toen dronken de vrienden wijnkandeel,
En ze wonden ’t in een doekje.
Baker, baker, rep je wat!
Dat ons kindje geen koû en vat,
Want zijn zoete papaatje
En zijn lieve mamaatje
Wilden het zoo graag houden.
Het heeft oogjes, helder en klaar,
Op zijn bolletje lief krulhaar,
Lipjes met roode randjes,
En een paar poezele handjes.
Toen ’t kindje op de wereld kwam,
Al uit zijn donker hoekje,
Toen had het nog geen hempje an,
Ja, zelfs geen onderbroekje;
Baker, baker, rep je wat!
Dat ons kindje geen koû en vat,
Want zijn zoete papaatje
En zijn lieve mamaatje
Wilden het zoo graag houden.
Het heeft oogjes, helder en klaar,
Op zijn bolletje lief krulhaar,
Lipjes met roode randjes,
En een paar poezele handjes.