
Duifje met uw blanke veren, vlieg je niet door alle weer,
kan geen regenbui u deren, als gij rond dwaalt heind’ en veer?
Altijd proper in uw kuif, zijn uw pluimpjes blanke duif,
altijd proper in uw kuif, zijn uw pluimpjes blanke duif.
Waait het al te hard daar buiten, ik kan thuis zijn als je wil,
‘k vind er al mijn kornuiten, in de warme duiventil.
Maar ter vlucht of op het slag, ’t net mijn veertjes alle dag,
maar ter vlucht of op het slag, ’t net mijn veertjes alle dag.
Opgewekt en glad gestreken, met wat water uit mijn pot,
ben ik waard te zijn bekeken, in de lucht en in het kot.
Kinders nu ge-’t kunstje weet, ‘k bid dat ge het nooit vergeet,
kinders nu ge-’t kunstje weet, ‘k bid dat ge het nooit vergeet.