
Een meisje ging er eens wandelen, zij ging naar grootmoe toe.
En zonder wat te zeggen aan vader of aan moe.
Wat zeg je van zo’n meisje toch och och och.
Ze liep alvast maar verder, ze dwaalde al meer en meer
haar voetjes die werden moede, haar beentjes deden zeer
Wat zeg je van zo’n meisje toch och och och.
Daar kwam een beer op sokken, op sokken sloop hij voort.
En van het arme meisje heeft niemand meer wat gehoord.
Wat zeg je van zo’n meisje toch och och och.
Een hoedje en een schoentje, een schortje en een lint.
Dat vond men onder het zoeken, maar weg was het arme kind.
Wat zeg je van zo’n meisje toch och och och.