
Nu bloeien in ’t jonge gras niet meer
meizoentjes wit en geel.
Nu hoor je niet meer in het dichte groen
gejubel en vogelgekweel.
Het krekeltje zwijgt en het Noorden blaast koud
door ’t zwijgende, hijgende woud.
Nu zie je in ’t gewelf der beukenlaan
’t wazige blauw door ’t bruin.
Nu wordt het park, dat zo klaaglijk ruist,
een wondere tovertuin.
Het zonnetje schuilt en al vroeger verwacht
wordt de duistere, fluist’rende nacht.