
Kokkie had haar hele leven,
In de dapur doorgebracht.
Waar ze niets dan aan eten koken,
Kentang, sajur en sambal dacht.
In het begin was Kokkie pienter,
En de njonja heel tevree,
Maar toen Kokkie oud ging worden,
Wist ze niet meer wat ze dee.
In de soep vond men haar haren,
In de sajur een kakkerlak,
In de sambal, gossie mijne,
Eens de staart van een titjak,
En de njonja, heel verbolgen,
Sprak: ‘ ’t Oude mens wordt wel wat vies’,
En ze viste uit de souskom,
Kokkie’s laatste holle kies.
En toen Kokkie oud ging worden,
Kreeg Kokkie haar lepas,
Omdat ze voor haar makkelijk baantje,
Toch al niet meer laku was.
Eenzaam stierf zij in de kampong,
Niemand had meer kassian,
En nu ligt doe oude nene,
Begraven op de kuburan.
(dapur = keuken, kentang = aardappelen, njonja = mevrouw, sajur = groente,titjak = soort hagedisje)
(lepas = ontslag, laku = niet goed meer, kassian = medelijden, nene = oude vrouw, kuburan = kerkhof)