
Bij de haven staat een eenzaam meisje,
Haar geluk nam een schip met zich mee.
En nu fluistert ze zacht,
In de duistere nacht:
‘Kom terug, kom terug van de zee.’
Hier stond ze met hem vele uren,
In het licht van de sterren en maan.
Nu staat zij er droevig te turen,
Omdat hij van haar heen is gegaan.
Zal hij ooit weer de haven bereiken?
Komt zijn schip weer terug van de zee?
Als het morgenlicht daagt,
Klinkt haar stem nog die vraagt:
‘Kom terug, kom terug van de zee!’