
Meiseken jong, mijn maagdeken fier,
Waar staat jouw vaders huizeken hier?
Ginder aan geenre groene wei,
Voor de deure staat een mei!
Sprak dat lodderig (of vrolijke) meisken.
Meiseken jong, mijn maagdeken fier,
Hoe kom ik in dat huizeken hier?
Trek aan het koordeken van de klink,
Dat er het deurke open springt!
Sprak dat lodderig (of vrolijke) meisken.
Meiseken jong, mijn maagdeken fier,
Hoe kom ik op jouw kamerken hier?
Neem er uw schoentjes in de hand,
Kousevoeten maakt zoeten gank!
Sprak dat lodderig (of vrolijke) meisken.
Meiseken jong, mijn maagdeken fier,
Hoe kom ik in dit beddeken hier?
Voor het beddeken staat een plank,
Spring daarop en wacht niet lang!
Sprak dat lodderig (of vrolijke) meisken.
Meiseken jong, mijn maagdeken fier,
Waar leg ik mijn voetekens hier?
Leg uw voetekens bij de mijn,
’t Zal Sint-Jansdag kermis zijn!
Sprak dat lodderig (of vrolijke) meisken.
Meiseken jong, mijn maagdeken fier,
Waar leg ik nu mijn handekens hier?
Leg uw handekens op mijn hart,
’t Zal verdrijven pijn ende smart!
Sprak dat lodderig (of vrolijke) meisken.