
Schoon lieveke, waar waarde gij den eerste meiennacht,
Dat gij mij gene mei en bracht?
Den eerste meiennacht, schoon liefke, was ik ziek,
Schoon lieveke, ik kon er van mijn beddeke niet.
Schoon lieveke, waar waarde gij den tweede meiennacht,
Dat gij mij gene mei en bracht?
Den tweede meiennacht zocht ik den eglantier,
Schoon lieveke , sta op want uwe mei is hier.
‘k En sta er nu voorwaar voor uwe schone mei niet op,
Noch en zal ik mijn beddeke ervoor verlaten.
Uw mei die komt te laat, plant hem vrij op de straat.
Schoon lieveke, plant uwe mei nu maar op de straat.