
Toosje smulde in een hoekje,
Van een heerlijk krentenkoekje
Ach, zei broertje Jan,
‘Geef mij er een stukje van.’
‘Nee’, zei kleine Toos
En ze keek zo boos, zo boos.
Ze hield het koekje vlug,
Voor Jantje op haar rug.
Maar bij Toosje in het hoekje,
Zat de hond, hij keek naar het koekje.
Koekjes lustte hij zo graag
En het kwam zo laag, zo laag.
Hap, zei Bello en meteen,
Ging hij met het koekje heen.
Ach, dit was een naar geval,
Nu had Toosje niemendal.