Sigarenmaker


Met dank aan Ilse Steel voor het sturen van de tekst




De vervaardiging van de sigaar begint met het strippen van de bladeren. Deze werden voor het strippen bevochtigd omdat droge tabak beter scheurt. Het tabaksblad wordt bij de punt vastgepakt en daarna rond de hand gewonden terwijl men de steel lostrekt. Dit was zeer slecht betaalde arbeid die oorspronkelijk veelal als thuiswerk werd verricht en waaraan het hele gezin deelnam. In een uur stripte men ongeveer een halve kilo tabaksbladeren en men verdiende dan twee tot drie cent.

Als men bedenkt dat alles als regel in eenkamerwoningen werd gedaan, dan kan men zich voorstellen dat de levensomstandigheden niet bepaald optimaal waren. Het met de hand maken van sigaren begon met bosjes maken. Dit gebeurde door de wat oudere jeugd. Dat wil zeggen men maakte het binnengoed met de hand. Een bosje bestond uit binnengoed, waar een blad omheen was gerold, het binnengoed werd met de vingers samengeknepen en met de handen in de vorm gedraaid. Het binnengoed moest iets schuin op omlegger met omblad worden gelegd. De klaargemaakte bosjes werden in een vorm gelegd, die er gewoonlijk twintig kan bevatten. Een aantal van deze vormen werden dan onder een pers samengedrukt. In eerste instantie krijgt de sigaar dan nog een naad op de plaats waar de planken elkaar raakten en daarom werden de bosjes nog een keer gekeerd en opnieuw geperst.

Na het persen volgt het dekblad. Zowel omblad als dekblad worden vochtig verwerkt omdat ze anders zouden breken. Het bevochtigde dekblad wordt op zink op maat gesneden. Het dekblad werd aangebracht met de nerven aan de binnenkant. Voor het bevochtigen werden de handen soms met speeksel bevochtigd, maar dat werd niet op prijs gesteld. Een goede sigarenmaker kon een weekproductie van 3.000 sigaren halen. Tot 1930 was het maken van sigaren hoofdzakelijk handwerk, maar daarna volgde de mechanisering in hoog tempo.

Patroonheilige: Dominicus

1076
Schoorsteenveger
388
Spinster