Een klepper is een muziekinstrument en speelgoed ineen.
Voor het klepperen hadden kinderen droge houtjes/latjes nodig van zo’n 15 cm lang en 3 tot 5 cm breed. Sommige kinderen (of hun ouders) maakten de kleppers van het hout van sigarenkistjes of sinaasappelkistjes, maar eikenhouten kleppers maakten een mooier geluid. Een van de houtjes moest tussen wijs- en middelvinger en de andere tussen middel- en ringvinger. Bij sommige kleppers was het deel dat tussen de vingers zat wat smaller. De kleppers die wat rond geschaafd/gebogen waren maakte het hardste geluid. Sommige brandden hun kleppers aan de onderkant, ook om ze harder te laten klinken. Een of enkele klinknagel(s) in een klepper zorgde weer voor een ander geluid. Dunnere kleppers zorgden voor een hogere toon dan dikkere. Kleppers kon je ook kopen in speelgoedwinkels.
Door met de hand een soort bibberende, trillende, schuddende beweging te maken klepperde de houtjes tegen elkaar. Om het makkelijker te maken waren er ook kleppers met een touwtje erdoor. In de middeleeuwen moesten mensen met lepra kleppers met een scharnier bij zich dragen en gebruiken, zodat iedereen kon horen dat er een besmettelijk persoon over straat liep.
Het was de kunst om de klepper ritmisch tegen elkaar te slaan en hard en zacht af te wisselen. Sommige kinderen kregen klepperles. De klepperaars die de slag goed te pakken hadden, konden in een hand niet twee, maar drie houtjes vasthouden en daarmee klepperen. Ook was het uitdagend om met beide handen tegelijk te klepperen. De beste klepperaars lieten de houtjes aan zowel de bovenkant als de onderkant tegen elkaar aan slaan: dit noemden ze roffels slaan. Overigens was het klepperen natuurlijk niet alleen voor kinderen. Ook bij muziekverenigingen en orkesten gebruikte men kleppers.