
Buiten in de biezen,
Daar lei een hondje dood.
Zijn staartje was bevroren,
Zijn billetjes waren bloot.
Toen kwam Lijsje Lonken,
Die zei: ‘Dat beest is dronken!’
Toen kwam Lijsje Lollepot,
Die zei: ‘Dat beest is half zot!’
Toen kwam Jan de slager,
Die zei: ‘Dat beestje is mager!’
Toen kwam Thijs de timmerman,
Die lapte er weer een staartje an.
Toen liep dat hondje henen,
Met ’t staartje tussen de benen.