
Drie jonge kikkers zwommen
in ’t midden van de sloot.
Daar zien ze in de biezen,
een stokje o zo rood.
Ze zeiden tot elkander,
daar roeien we eens naar toe.
Dat zul je wel eens laten bis
Rikkikten Pa en moe. Bis.
Och, fleemden toen de jongen,
laat alsjeblieft ons gaan.
Maar de ouden zeiden:
kindren pas op, blijf daar vandaan.
Dat stokje in de biezen,
dat rode stokje daar
dat is oh lieve kindren, bis
de poot van d’ooievaar bis