
Jan de Klap die kwam mij tegen
Op het strooien brugje.
Koek in de zak,
Pijp in de zak,
Jan die dacht dat kermis was.
De kermis mocht niet duren,
Toen ging hij naar de buren.
De buren waren niet thuis,
Toen ging hij naar de sluis.
De sluis die was gesloten,
Toen ging hij naar de boten.
De boten lagen niet aan,
Toen ging hij naar de baan.
De baan die was zo glad,
Toen viel hij op zijn gat.
Zijn gat dat deed zo zeer,
Toen ging hij naar de beer.
De beer die wou niet brullen,
Toen ging hij naar het veulen.
Het veulen was niet wakker,
Toen ging hij naar de bakker.
De bakker had geen brood,
Toen ging Jan de Klap van de honger dood