
Kaatje Geitenbreier ging trouwen,
Met haar vriendje Bertus Bok.
Heel de buurt kwam bruiloft vieren,
In ’t versierde geitenhok.
Kaatje droeg een wit toiletje
En een sluiertje erbij.
En ze droeg een bruidsboeketje,
Van versgeplukte prei.
Prei, dat lust ze wel ons Kaatje.
En als niemand op haar let,
Plukt ze telkens een blaadje
Van haar mooie bruidsboeket.
‘Gunst,’ zei Bertus na een poosje:
‘Waar zou je boeketje zijn?’
‘Lieve help, ‘k heb het op,
Het rook zo fijn!’
Maar de Bok begon te roepen:
‘Ik ga weer naar huis toe hoor.
Met een geit die zo kan snoepen,
Gaat het bruiloftsfeest niet door!’