
Wie kent er niet die brave zielen,
Die aan het verre Atjehstrand,
Al voor de eer van Neêrland vielen,
’t Rood, Wit Blauw in de verstijfde hand?
We zullen hun as eren, wreken,
En waar ik ga of sta of zit,
Zal ik hun naam met eerbied spreken,
Want dat waren jongens van Jan de Witt
Die jongens wilden wezen
Bij de Atjehneezen,
Daar hebben ze bewezen,
En al was de dienst niet algemeen,
Die braven gingen er toch wel heen,
Dat was geen klit:
Maar jongens van Jan deWitt!