
Er heerste in het dorp een grote consternatie,
Want het fanfarecorps lag zo maar uit de gratie.
Men liep er met een lang gezicht niets was er naar de zin.
Een ieder was ’t er over ééns er zat geen stemming in.
Van ri-del-di da-del-di dom
Voorop de grote trom, hé!
Refrein:
Jongens, jongens, jongens, jongens zet ‘m even op!
Jongens, jongens, jongens zet de boel maar op z’n kop.
En van je he-la-ho-la he-la-ho-la houdt er de moed maar in
Kom wees een beetje vrolijk je liedje blij van zin, hoi!
Jongens, jongens, jongens, jongens zet ‘m even op!
Want ons fanfarecorps gaat nooit verloren!
Toen kreeg de dirigent, de zoon van tante Keetje,
Zo op een goede dag, een pracht van een ideetje.
Niet enkel meer een saxofoon, een fluit of schuiftrompet
Nee, daarnaast werden ook dit keer harmonica’s gezet!
Van ri-del-di da-del-di dom
Voorop de grote trom, hé!
Refrein
De vreugde in het dorp, is nu ten top gestegen.
Op een muziekconcours, behaalde ’t corps de zege.
Verdwenen was de sjaggerijn, een ieder lachte weer.
En heel het volk van jong tot oud, dat zong maar keer op keer.
Van ri-del-di da-del-di dom
Voorop de grote trom, hé!
Refrein