
Morgen is het feest zo klonk het uit hun mond
Terwijl ze hun huisje versierden
Het zal een vreugde wezen, een vrolijke stond
Zo riepen klein Hansje en Grietje
Wij kopen een sjaal, een ring of portret
En vol van gedachten gingen zij naar bed
Hun oogjes die vielen al sluimerend toe
En dromend dachten zij aan hunne lieve moe
De vader den dronkaard komt zwijmelend naar huis
Geeft niets om het huiselijk leven
Hij ziet de versiering, slaat alles aan gruis
Moeder zit daar angstig te wenen
Hij is weeral dronken, waar komt hij vandaan
Hij grijpt naar een stoel, maar kan niet blijven staan
Hij tast in het ronde al zoekend naar haar
En door den drank bedwelmd zakte hij in elkaar
Het klokje slaat zeven, de kindertjes blij
Komen naar beneden gelopen
Waar is nu hun spaarpot op ’t kastje opzij
Kom laat ons nu gauw iets gaan kopen
Maar ’t geld was verdwenen dat heeft hen verrast
Dat heeft nu den vader dien dronkaard verbrast
’t Plezier was gebroken, verdriet hadden zij
Want moeders verjaardag ging zwijgend voorbij