
Uren, dagen, maanden, jaren,
Vliegen als een schaduw heen!
Ach, wij vinden waar wij staren,
Niets bestendigs hier beneên!
Op de weg die wij betreden,
Staat geen voetstap die beklijft;
Al het heden wordt verleden,
Schoon ’t ons toegerekend blijft.
Dat de tijd hier ’t al verover,
Aan geen tijdperk hangt mijn lot;
Gij, Gij blijft mij altijd over,
Gij blijft eindeloos mijn God.
Welk een onheil mij ook nader,
‘k Vind in U mijn vrede weer;
Gij blijft, die Gij waart, mijn Vader,
Wat verander, wat verkeer!