
Zeg blaadjes, waar wil je naar toe?
Je sliert en je draait er zo wild door de lucht,
Je zwiert en je zwaait, zeg ga j’op de vlucht?
Waar naar toe?
Zeg, denk je dat jullie ook vogeltjes zijt
En mee moogt naar ’t zonnige land,
Waar de zangertjes won’-in de wintertijd?
Zeg kiest er een andere kant.
De wind komt en drijft jullie spottend uiteen
En lacht om je dolle gezwier.
Ach, hij duikelt je neer in een sloot of plas,
Zó boet je je dolle plezier.
Neen, daalt maar en spreidt saâm een dekentje neer;
Het zaadje, het beidt er je warmte zo zeer!
Dekt het toe!
Zeg blaadjes, dáár moet je naar toe!