
De zon staat op de weiderand
In rossig rode avondbrand,
Weerkaatsend in de ruiten;
Maar langzaam dooft de vlammengloed,
Een laatste straal, als afscheidsgroet,
Glijdt glinst’rend over ’t duist’rend land,
Om deze dag te sluiten.
Er suizelt door de lindeboom
Een zoete stem van avonddroom,
Een vredebrengend fluist’ren,
Dat elk nu rustige slapen mag
Na ’t moede hijgen van de dag.
En ‘k vlij me neder, moe en loom,
Om mijm’rend toe te luist’ren.
Gelijk een kindje slapen gaat,
Na woelig spel en druk gepraat,
Bij Moeders avondbede,
Zo vindt nu ieder zoete rust,
Door troostend woord in slaap gesust,
En droomt, dat aan zijn sponde staat
Een engel van de vrede.