
Een knaapje, een knaapje zag eens een vogelnest.
Hij sprak: ‘Dat wil ik hebben, want klimmen kan ik best.’
Al hoger, al hoger klom daar die lage guit,
Om het vogelnest te pakken, maar ach dat kwam slecht uit.
Van krik krak, van krik krak de tak waar hij op stond,
Brak onder zijn voeten en hij viel op de grond.
Daar lag hij, daar lag hij nu in het bos alleen,
Met schrammen op ’t gezichtje en een gebroken been.