
O Kindeke Jesu,
Mijn Heer en mijn God!
Hoe ligt Gij zoo arm’lijk,
Hier in deze grot.
Waarom moest Ge kiezen,
Een stal tot Uw Woon?
Waarom is een kribbe,
De wieg van Gods Zoon?
O Kindeke Jesu,
Mijn Schepper en Heer!
Hoe ligt Ge zoo droevig,
In ’t kribje neer!
Wat vloeien Uw tranen,
Waarom toch die smart?
Och, wil toch niet wenen,
Dat peinigt mij ’t hart
O Vader daarboven
Aanschouw hier Uw Kind,
Gij weet, hoe mijn harte
Het vurig bemint.
Ik wil Het beschermen,
Maar sta mij toch bij,
Opdat ik Het waardig
Ten Hoeder steeds zijn.