
Meisjes uit het roze leven
die bij nacht de baan op gaan
hebben soms een diep verlangen
naar een menselijk bestaan.
Maar als zij daar staat
de vlinder der nacht
ziet niemand een traan
hoort niemand een lach
Maar onder een kleding
van zilver en bont,
ja, daar klopt een hart
dat de liefde nooit vond
Gevelsteen in de (doodlopende) Sint Jansstraat in Deventer, van Ton Mooy met tekst van J.C. van Schagen. ‘Kous’ had in de 17e eeuw als bijbetekenis vrouwelijk geslachtsdeel of hoer.