
in bange dromen hoor ik jouw geschreeuw
en voel haast lijfelijk de diepe haat
die je krijsend zonder weet van maat
in ’t rond braakt als een gek geworden meeuw
vooral na een uitbundig avondmaal
als spijs mijn maag tot brandend zuur aanzet
krimpend in het half beslapen bed
voel ik jouw afgrijs mij gericht totaal
maar bij ’t ontwaken uit zo’n nachtelijke hel
de slaap nog prikkend in de beide ogen
besef ik in een tel
had ik je ietwat beter voorgelogen
dan deelden we het ledikant nog wel
zij het tot op het bot bedrogen