
(staat mijn petje)
Wat is een mens toch knap geconstrueerd
Van boven zit zijn hoofd, van onder benen
Met daaraan voeten, welvoorzien van tenen
Van groot naar klein, en nimmer omgekeerd
Wat steekt een mens toch prachtig in elkaar
Zijn zoolvlak is voorzien van profilenen
Die hem doen lopen over scherpe stenen
En op zijn kop groeit er ter koeling haar
Wat is een mens toch weldoordacht gebouwd
Alleen maar door vererving van wat genen
Of is de Schepper er ooit aan verschenen?
Ik weet het niet en ach, het laat me koud
Maar af en toe, ik wil het eerlijk weten
Bid ik hem, mij vooral niet te vergeten