
De netten van de spin, die in de vensters hangen,
En kunnen maar alleen de kleine muggen vangen:
De wespe met de bij, en al wat hoger zweeft,
Maakt dat het broze rag op hen geen vat en heeft.
Wat kan een moedig hart zijn goede weg beletten?
Al wat de wereld spint en zijn maar boze netten.
En acht, o waarde ziel! en acht geen losse waan,
De wind verstrooit het kaf, maar niet het wichtig graan.