
Het kwaad is moet gij mijden.
Bidden moet gij te aller tijden.
Cier u met geen ijdel kleed.
Doe uw naasten nooit geen leed.
Eer ze, die iets goeds u leren.
Feestgang moet geen schoolgang weren.
God zij boven al gediend.
Heb geen booswicht tot uw vriend.
In de Bijbel moet gij lezen.
Kwaad doen moet uw lust niet wezen.
Leer wat goeds, eer ’t zij te laat.
Mijd bedrog en voed geen haat.
Needrig moet ge zijn in ’t spreken.
Onrust moet gij nimmer kweken.
Prijs of laak u zelve niet.
Recht doen geve u nooit verdriet.
Spreek daar ’t past: leer tijdig zwijgen.
Tracht een goede naam te krijgen.
Uit geen taal die die God onteert.
Vlied hem die lichtvaardig zweert.
Wreek u niet; maar wil vergeven.
Zo zult gij gelukkig leven.