
Op het smalle paadje, zig-zag paadje, liep een spin;
Liep met héle lange poten, liep met waggelpoten, middenin!
De bloempjes in het koren knikten ‘dag!’;
’t Spinnetje stak zijn borst naar voren toen hij ’t zag.
’t Spinnetje dacht wat loop ik deftig, réuze deftig, op en neer;
En de bloempjes zeiden ‘da’s een heer!’
Maar toen kwam er, ach wat jammer, réuze jammer, een boerin;
En die stapte, och wat jammer, réuze jammer, op de spin.
Nu ligt het paadje heel verlaten, héél verlaten in de zon.
Alle bloempjes zouden huilen, trááánen huilen;
Als ’t maar kon.