
Klein Keesje en klein Koosje die gingen samen uit.
Klein Keesje mocht wel wand’len gaan,
Maar Koosje had het stil gedaan.
Zo’n stoute, stoute guit.
Klein Keesje en klein Koosje die kwamen bij een sloot.
Klein Koosje wou er overheen,
Maar Keesje schudde flink van neen.
Want wie verdrinkt is dood.
Klein Koosje nam een aanloop en sprong er midden in.
En het arme domme ventje zat,
Al stond er juist niet heel veel nat.
Toch onder tot zijn kin.