
Er waren twee aardige kind’ren,
die hadden elkaar toch zo lief,
maar de vader van haar was ertegen,
dat was voor de stumpers een grief.
“Ach Nelis,” sprak zuchtend het meisje,
“zo kan het niet langer meer gaan,
kom laten we samen maar eensklaps,
een eind aan ons droevig bestaan.”
Cornelis die zei er toen zuchtend,
“ik ben nog pas negentien jaar,
maar ik volg je in dood en in leven,
als het moet, dan moet het dan maar.”
Hij kuste voor het laatste zijn Mina,
hing kleren en hoed aan een paal
en sprong een twee drie proestend,
pardoes in het midden der Waal.
De golfjes kabbelden verder,
ze reikten als haast tot zijn kin,
toen riep hij “nou, Mina ’t is jouw beurt,
je ziet het ik lig er al in.”
Maar Mina stond schreiend aan d’oever,
ze wrong er haar handen en riep,
“ach Nelis, ik zal hier maar blijven,
want de Waal is zo vreselijk diep.”
De golfjes kabbelde verder,
ze droegen Cornelis naar zee,
z’n portemonnee en horloge,
nam Mina als aandenken mee.
En later verloofd dacht ze dikwijls,
zo tussen een kneep en een zoen,
had ik net gedaan als Cornelis,
dan kon ik dit nou niet meer doen.