| Type: | versje |
Krik krik krekel had gezongen
heel de zomer, als om strijd
Rijmbaard herfst, vooruit gesprongen,
kondigt bits de baafmistijd
Krik krik krekel in zijn zalen
vond geen voorraad, droog of nat
Hoe gaat het verder?
This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.
De krekel sjirpte dag en nacht, zo lang het zomer was,
Wijl buurvrouw mier bedrijvig op en neer kroop door ’t gras
“Ik vrolijk je wat op,” zei hij. “Kom, luister naar mijn lied.”
Zij schudde nijdig met haar kop: “Een mier die luiert niet!”
Toen na een tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op.
Geen larfje of geen sprietje meer: droef schudde hij zijn kop.
Doorkoud en hongerig kroop hij naar ’t warme mierennest.
“Ach, juffrouw mier, geef alsjeblieft wat eten voor de rest
Van deze barre winter. Ik betaal met rente terug,
Nog vóór augustus, krekelwoord en zweren doe ‘k niet vlug!”
“Je weet dat ik aan niemand leen,”
Zei buurvrouw mier toen heel gemeen.
“Wat deed je toen de zon nog straalde
En ik mijn voorraad binnenhaalde?”
“Ik zong voor jou,” zei zacht de krekel.
“Daaraan heb ik als mier een hekel!
Toen zong je en nu ben je arm.
Dus dans nu maar, dan krijg je ’t warm!”
Wie leeft van kunst gaat door voor gek.
Vaak lijdt hij honger en gebrek.
De krekel en de immelaar
Oerset in et Meslânzers (Terschellinger dialect)
De krekel di met sang,
een seumer lang
doênde waar, begon te brammen
doe de koude dagen kwammen.
Se had et echt nyt al te rúm,
der waar niks meer, geen krúm.
Wat hè ‘k un hoenger te ferduren,
fertelde se an de immelaar,
hòr buren,
en froeg di doe te lien,
wat krumeltsjys, en sien,
dêr met de winter deur te kommen,
En ik betaal ferom, wanneer de blommen bloeie,
op dierewoord,
met rente toe,
sit der mar nyt over in noad
De immelaar hout nyt fan bòrgjen,
dat ‘s wel hòr kleinste stommighyd
wat deden je in de warme tiid”?
fraagt se an de lienster, met hòr sorgen,
“Nacht en dag deed ik fòr alles wat forbij
kwam, mei zingen mij ùtslove”.
“Je zongen ? Dat wi’k love, ‘t is goed,
Dan dânste ik nou mar wat.
Jo Smit
Van: La eigek it la fourmi fen de Cafon raine.