Home / Versjes / De app’len koopman

De app’len koopman

Jaartal: 1912 (Enkhuizer Almanak)

appel

Langs een van Utrechts buitenwegen
liep welgemoed Bartel van Megen
Een mand met applen aan z’n arm.
Z’n plan was naar de stad te tijgen,
waar hij er duiten voor kan krijgen.
Hij liep bedaard, want het was warm.

Een drietal bengels, loze snaken,
zagen de man van ver genaken
en smeden listiglijk een plan,
om zich de zakken vol te vullen
met appels om daarvan te smullen,
ten koste van den buitenman.

Hoort hoe zij spoedig eens te werden:
twee slungels zouden saam de derden
flink rammel geven voor de broek.
Als dan de boer te hulp zou komen,
dan gauw het kansje waar genomen
en snel verdwenen om de hoek.

Toe Bartel goedsgemoeds aan kwam stappen,
begon men ’t zaakje op te knappen.
De kleine schold hen voor de leus,
vooral wat leelijk mocht heten
en d’anderen met rauwe kreten
antwoorden hem lang niet heus.

Bartel stond ’t eerst aan te kijken,
maar nu begon het ernst te lijken.
De kleine werd ruw aangepakt,
als hagel regende de slagen
Men moest de arme knaap beklagen
Nu werd hij op de grond gesmakt.

Hij werd medeogenloos geranseld
Eerst rechts, dan weder links verhanseld.
De jongen schreeuwde moord en brand,
en Bartel kan ’t niet langer laten lijden
hij wil de jongen gaan bevrijden,
Licht maakte z’m nog wel van kant.

Hij zet z’n mand met applen nader
en trekt nu tegen hen van leder:
“Wat is dat voor manier van doen!”
zo roept hij, “laat de stakker lopen,
of anders zul je ’t duur bekopen
Je slaat den jongen blauw en groen!”

Hij wordt de dupe van het foefje,
want onderwijl slaat ’t andere boefje
z’n slag reeds achter zijnen rug.
Hij spreidde z’n zakdoek uit op d’ aarde,
waarin hij snel de buit vergaarde:
de rest van de applen uit de mand.

Als Bartel ’t eindelijk op moet geven,
Ziet hij, ’t is om erbij te sneven,
hoe ’t hem besteeld, de loze kwant.
Hij keert terug op zijne schrede,
ontsteld door zoveel tegenheden.

Om thans dien andren sluwe dief,
zo mogelijk nog te achterhalen.
De schelm bint echter zonder dralen
z’n zakdoek dicht, o welk een grief,
Want eer hij bij zijn mand gekomen,
in dolle woede aan komt stomen

De jongens doen alsof zij schrikken
en niets meer tegen durven kikken.
Zij gaan voor Bartel uit de weg,
die nu met innig medelijden
zich aan den armen knaap gaat wijden,
die halfdood schijnt uit overleg.

Hij ligt languit en plat voorover,
als toegetakeld door een rover.
En Bartel bukt zich tot hem neer,
hij helpt hem teder overeinde,
En vraagt of ook soms een wond hem schrijnd
en of zijn rug hem soms deed zeer.

De jongen schrijde bittre tranen,
zodat van Megen wel moest wanen
dat ’t alles ernstig was gemeend.
Hij tracht de jongen nu te stillen,
die doet alsof z’n leden trillen
en nog steeds niet is uitgeweend.

Hij poogt z’n tranen af te drogen,
doch als toevallig wendt hij de ogen
eens even naar z’n applen mand
En wat hij daar nu moet bemerken,
gaat hem tot buiten allen perken,
’t berooft hem bijna van verstand!

Daar zijn die andre twee schavuiten
Zijn appels, dus z’n kostbare duiten,
aan ’t roven al was ’t niemendal.
Zowel hun buis als bij hun zakken
zijn ze ijverig bezig vol te pakken
Hij mist er reeds een groot getal.

Van Megens bloed raakt aan het koken,
dat had er nog maar aan ontbroken!
Zulk tuig heeft hij nog nooit gezien,
maar hij zal het hun wel moris leren.
Nou zien ’m echter ommekeren
Af zij gaan aan de haal en vlie’en.

De applen koopman maakt nu benen
en zit de jongens op de schenen
Zij hollen als een rennend paard.
Hij snelt hen na langs veld en wegen,
Z’n woede is ten top gestege
en dit verdubbelt haast zijn vaart.

En razend met de vuisten gebald
komt hij ten slotte nog even te struik’len
’t Geen hem weer even meer doet duik’len,
zodat hij op zijn buikje valt.
En voor hij zich weer op kan richten,
met pijn in arm en beengewrichte,

Is ’t jochie ver reeds uit het oog.
Nu komt hij pas tot recht beseffen
Welk ongeluk hem hier moest treffen
en hoe het drietal hem bedroog.
Het was een doorgestoken zaakje,
dat ranselen van dat kleine snaakje.

En hij liep deerlijk in de val.
Dat ranselen was niets dan stoeien 
Hij zweert zich nooit meer te bemoeien
met jongens, hoe ’t lopen zal.