
A is een aapje, dat eet uit zijn poot.
B is de bakker, die bakt voor ons brood.
C is een cent daar koop ik wat voor.
D dat is Dirk die slaapt op een oor.
E is een eend die vliegt door de lucht.
F is Fransje die maakt veel gerucht.
G is een gulden, die verdien ik nog niet.
H is huilen dan heb je verdriet.
I is Ida een meisje heel lief.
J is Jantje die loopt al heel fief.
K is een kooltje dat ligt in de test.
L is Leentje die leest al heel best.
M is moeder die steeds aan ons denkt.
N is Naartje die de groenteman wenkt.
O is het oor daar horen we mee.
P is de poes de is bang voor de zee.
Q is een vreemde die ga ik voorbij.
R is een roosje die maakt ons steeds blij
S is een spoortrein die rijdt er heel snel.
T is Toosje die trekt aan de bel.
U is het uur dat roept ons naar school.
V is het veld dat vol staat met kool.
W dat is Willem die rijdt op de baan
X is weer zo’n vreemde wat heb je er aan.
IJ is het ijs daar rijden we op.
Z is zusje die speelt met haar pop.
Een dergelijk ABC-versje komt in elk geval uit de 19e eeuw. Het prentenboek, Nieuw Abé-boekje voor lieve kinderen: met eene menigte prentjes en rijmpjes, uit 1936 is de vroegst bekende gedrukte versie (bijgaande afbeelding (ingekleurde versie) komt waarschijnlijk uit dat boek). De schrijver is onbekend en ook weten we niet wie de illustraties maakte. Latere versies zijn gemaakt door Louis Landré en P.J. van Geldorp (rond 1907), Rie Cramer (ongeveer 1947) en Max Velthuijs (1964).