Verhalen Oma Compas



Oom ?

Het was het jaar 1936 en mijn vader lag in het ziekenhuis. Toen was het nog zo, mannenzalen, vrouwenzalen en wel zo’n ± zestien mensen bij elkaar. Wij hadden die dag een oom op bezoek gehad. We, zijn mijn twee broers en ik. M’n oudste broer Jan, toen negen, m’n jongste broer Japie, toen drie en ik vijf jaar. We kregen van die oom ieder een plak (twee en een halve cent), maar moesten dan wel een tijdje wegblijven.Toen was dat heel wat en in het snoepwinkeltje kon je lang zoeken voor je wat had. s’ Avonds mocht ik mee naar m’n vader in het ziekenhuis. Onderweg, terwijl ik huppelde van het ene stoepje naar het ander, zei m’n moeder:,,Je moet niet tegen pa zeggen dat oom geweest is. Ze had beter niets kunnen zeggen, want toen ging er bij mij iets rinkelen. Uiteindelijk hadden we die oom nog nooit gezien, dus was het al anders dan anders. Bij het ziekenhuis aangekomen, vloog ik naar m’n vader en zei: ,,Pa, oom is geweest.” ,,Welke oom?” vroeg hij. Wist ik veel. M’n vader begon te schreeuwen tegen m’n moeder, zodat de hele zaal mee kon genieten. Zusters kwamen eraan en de gordijntjes gingen dicht. Maar ik werd bij een mijnheer geroepen, die een grote fruitmand had. Mijn dag kon niet stuk, want eerst op die dag een plak om snoep te kopen en nu mocht ik uitzoeken wat ik wilde hebben. Fruit was toen een luxe als je dat kreeg. Ik kreeg een mooie tros druiven. Wat daar achter dat gordijntje afspeelde, weet ik niet meer.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Dat had een staartje

Op een dag werd ik door mijn broer Jan afgehaald van school. Hij was met zijn fietsje, waarmee hij normaal alleen zondags op mocht fietsen. In die tijd kwam iedereen lopend naar school. Dus vond ik het  wel interessant dat mijn grote broer me met z’n fiets kwam halen. We moesten konijnenstammen halen, zei hij. U weet wel, dat groen van de paardebloem. We gingen vrij ver weg, dat was de rede dat hij op de fiets mocht, zei hij.Toen we aardig wat hadden zei hij:,,We gaan nu naar huis, maar als we thuis komen is moeder weg en ze komt ook niet meer terug.” Er ligt een briefje op tafel voor pa. Dat was huilen bij mij en ik geloofde het eerst niet. Maar toen we thuiskwamen lag er inderdaad een briefje op tafel en was er geen moeder. Lezen kon ik toen nog niet en of Jan mij dat heeft voorgelezen, kan ik me niet herinneren, dus weet ik ook niet wat er op dat briefje stond. Mijn vader ging ‘s morgens om vijf uur weg en kwam om half zeven thuis. Hij werkte bij de afsluitdijk, waar toen nog het één en ander gebeuren moest. ‘s Avonds kookte hij voor ons, maar wij waren verder die dagen alleen. Wij werden al gauw uitgescholden. Nu is een gebroken gezin een onderdeel van de maatschappij, maar in het jaar 1936 was dat een schande. Ik kwam bij een buurvrouw terecht, waar ik het vreselijk vond. Het was in de zomer en ik sliep bij die vrouw in bed en het stikte er van de vlooien. Iedere avond ging ik huilend naar m’n vader, maar ik moest daar blijven Het was punniktijden en ik kreeg als troost van m’n vader z’n tabakstrommel. Een witte trommel met een grote rode ster. Zijn tabak deed hij op een krant. Laatst zag ik zo’n trommel op een rommelmarkt, maar ze vroegen er nogal veel geld voor. Dus helaas kon ik hem niet kopen. Er kwam op een avond een oom van ons en die wou mij meenemen en voor me zorgen. Had mijn vader daar maar in toegestemd. Ik denk dat ik dan een heel wat betere jeugd had gehad dan nu. Die oom zie ik nog zitten. Met z’n broek iets om hoog. Bruine schoenen, een bruine broek en daar onder bruine sokken met sokophouders, die je toen had. Die buurvrouw was achteraf beschouwd niet helemaal in orde. We sliepen op een zolder en daar was het bloedheet. Op een avond kwam er onweer en dat mens vloog haar bed uit en gooide dat raampje open en schreeuwde de hele buurt bij elkaar en begon met van alles te gooien. De dag daarop kwam de politie langs met motor en zijspan,  wat toen heel indrukwekkend was.Die kwamen ook bij mijn vader langs. Wat er toen gebeurd is weet ik eigenlijk niet zo. Er is een stukje weg van die tijd.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Twee kwartjes

Vanaf het moment dat de politie bij ons was geweest, n.a.v. die buurvrouw die met het onweer overal mee had gegooid, wou mijn vader mij daar niet meer hebben. Maar ik ben wat stukjes kwijt van die tijd. Ik weet wel dat op een gegeven moment, toen ik van school kwam, m’n moeder er opeens weer was. Ze zat bij m’n vader op schoot, wat ik wel raar vond. Het was denk ik voor die tijd ook niet zo gebruikelijk om dat zo openlijk te doen. Hoelang ze toen thuis geweest is weet ik niet, maar op een gegeven moment had ze in dezelfde stad een huisje gehuurd. Daar waren Japie en ik toen ook. Iedere dag moesten wij naar de wijk waar m’n vader woonde om melk te halen. Toen ging dat nog met een melkkoker en werd die gevuld met een litermaat vanuit een melkbus. We gingen altijd met de kruiwagen van Japie, want die moest het goed vasthouden en ik moest voorzichtig lopen, zodat de melk er niet overheen ging. En dan een half uur. Mijn vader betaalde die melk, vandaar dat we het daar moesten halen. Op een dag zei m’n vader dat we geen melk meer mochten halen, want hij betaalde dat niet meer. Wij blij, want zo leuk vonden we dat klusje niet. Maar m’n moeder in alle staten. Maar algauw daarna verhuisden we naar een andere stad, waar we toen ook de bewuste oom weer tegen kwamen. Hij was weduwnaar en had twee kinderen die m’n moeder al gauw de deur uitwerkte. Mijn vader betaalde voor mij twee en een halve gulden per week. Mijn moeder zei altijd dat ik beter een jongen had kunnen zijn en Japie een meisje. Dat klopte ook wel, want ik haalde van alles uit en kwam ook vaak pikzwart thuis. Lekker de kolenboer geholpen. Ze berichte m’n vader dat ze twee kwartjes meer moest hebben voor mij. M’n vader deed dat niet. Nou, dan moest hij mij maar komen halen. Dat deed hij. Ja, daar ga je dan voor twee kwartjes. Mensen kunnen gemakkelijk praten van het is je moeder. Maar moeder wezen of moeder zijn, daar zit een heel groot verschil in.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Koekkruimels

Vanaf de plaats waar dus m´n moeder woonde, weer terug naar de oude plaats. Die woonde niet meer in ons huis, maar was met Jan in de kost bij een gezin met vier kinderen. Daar kwam ik dus ook nog bij. Hoelang ik daar was, toen de oorlog uitbrak weet ik niet, maar dat bracht natuurlijk ook weer veranderingen met zich mee. De mensen waar we in huis waren, waren niet onaardig, maar keken nergens naar om. Vanaf die tijd, kan ik wel zeggen, dopte ik mijn eigen peultjes.

School heb ik altijd fijn gevonden en was meestal één van de goede leerlingen. Op een dag werd ik ziek. Roodvonk was de diagnose. Ziekenauto´s waren er niet meer. Met een soort ziekenrijtuig met paarden ervoor werd ik opgehaald en naar het ziekenhuis gebracht. De klas van m´n school werd helemaal ontsmet hoorde ik later. Het was november en bezoekers moesten buiten voor het raam met me praten. Ze stonden daar te blauwbekken van heb ik jouw daar. Zes weken moest ik daar blijven. Mijn vader ging op een gegeven moment weg en moest voor de Duitsers werken. Wanneer m´n vader met verlof was dronk hij een stevig borreltje en zo kwam het dat hij op een keer vanwege de verduistering, wat toen moest, het kanaal in gelopen was. De politie aan de deur, want hij mocht droge kleren aan trekken en toen mee naar het bureau. Dat was de kostman en vrouw toch wel te gortig en m´n vader moest voor ons een nieuw adres vinden. Dat was hem op een gegeven moment gelukt. Het was aan de andere kant van de stad, dus ook weer naar een andere school. Veel scholen werden gevorderd. Twee scholen hadden dan één school en dan had je of ´s morgens school of ‘s middags. Later was het ook zo dat je naar één of ander leeg winkelpand o.i.d. moest.

Mijn broer probeerde een beetje voor mij te zorgen. Hij werkte bij een banketbakker en ik moest dan af en toe op hem wachten bij “de steeg”. Dan deelden we samen wat koekkruimels of wat hij dan ook had. Als hij wat fooi gekregen had kocht hij iets eetbaars dat niet op de bon was. Die mensen waar wij bij in de kost waren gaven ons niet zoveel. Als het kostgeld van m´n vader niet op tijd was, kregen we niets. Die man was een verschrikkelijke driftkikker en ging dan ontzettend tekeer. Ik ben toen nog een keer zes weken naar een vakantiekolonie geweest. Toen ik terugkwam, was die vrouw weg en m´n broer ook.  

Oma Compas

Terug naar verhalen


Lang verzwegen

Daar woonde ik toen alleen met de man die ik oom Klaas noemde. Die tijd, het was zomer, kon ik het soms in school niet uithouden en ging nogal eens spijbelen. Je kwam dan met de kinderpolitie in aanraking. Dat vond ik een hele lieve man. Als ik spijbelde ging ik naar het bos, en op een plaats waar hoog gras groeide en vlak bij de spoorbaan, maakte ik dan een zogenaamd huisje door het gras plat te trappen. Als er dan een trein langskwam, verbeelde ik me dat daar een vader en moeder van me in zat. Die vader was altijd die politieagent. Nadat ik een paar dagen gespijbeld had, ging ik zelf naar het politiebureau en zei dat ik een afspraak had. Ik mocht dan altijd doorlopen. Wanneer hij dan vroeg wat ik kwam doen en ik hem vertelde dat ik een paar dagen gespijbeld had, spraken we af wanneer ik weer naar school zou gaan en als ik dan op school kwam, was er niemand die er iets over zei en kreeg ik ook geen stafwerk. Die vrouw van die oom Klaas woonde intussen bij een dochter van haar. Die vrouw heb ik nooit meer gezien. M’n broer was bij een of andere Duitse afdeling tewerk gesteld en hem heb ik pas jaren na de oorlog weer gezien. Die man ontpopte zich intussen in een nog grotere bullebak dan dat hij al was. Het eten werd al wat schaarser. Het meeste was op de bon. Als je uit school kwam wou je natuurlijk wel wat eten. Dat kon ik wel krijgen maar…. Hij had dan op een bordje lekkere dingen liggen, maar daar moest ik dan wat voor doen. Verder ga ik hier niet op in. Hij rookte en in de stad  kon je ergens voor twee gulden vijftig zwart shag kopen. Ik moest dat een keer voor hem halen. Mijn vader was in die tijd een paar dagen met verlof. Ik had daar geen zin in en zei hem dat. Hij zei me dat hij dat tegen m’n vader zou zeggen. Ik zei: “Dan zeg ik tegen m,n vader wat u altijd met me doet.” Nou ,hij kreeg schuim op z’n.mond, pakte een groot mes en kwam achter me aan. Na wat door het huis rond gehold te hebben kon ik gelukkig de voordeur bereiken en naar buiten vliegen. Maar ik durfde niet meer naar binnen. Ik ging daar pas weer heen toen ik zeker wist dat m’n vader daar was. Van hem kreeg ik nog op m’n donder omdat ik zo laat was. Ik durfde niets te zeggen, want ik weet nu nog zeker, als hij me gekregen had met dat mes me wat aangedaan had.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Iedere keer wat 

In het vorige deelde ik mede dat ik mijn broer de hele oorlog niet meer gezien had, maar dat klopt niet helemaal. Hoe hij toen daar gekomen was weet ik niet, maar wel dat hij doodziek was. We sliepen twee hoog en op een nacht hoorde ik een heel kabaal. Toen ik naar beneden liep zat mijn broer onder aan de trap en had zich helemaal bevuild. Die kerel stond met een grote schep voor z’n gezicht en was aan het schelden en tieren. Ik stond boven aan de trap te huilen. Die kerel zei toen tegen mij: “Ga je aankleden en naar de dokter.” Ik zei dat het donker was en je niet op straat mocht. “Als je aangehouden wordt, zeg je maar dat je naar de dokter moet. Als ze je niet geloven gooien ze je misschien in de singel en dan heb je pech gehad.” Wat was ik bang, maar ging toch. Vanwege de verduistering zag je niets. Er mocht nergens licht door schemeren en lantarens brandden dus ook niet. Het was een bekende weg voor mij, maar ik was als de dood dat ik Duitsers of N.S.B.-ers zou tegenkomen en dat die me in de singel zouden gooien. Het was toch gauw twintig minuten lopen, maar het leek een eeuwigheid en in m’n verbeelding zag ik natuurlijk overal wel wat bewegen. De dokter zei dat hij het schandalig vond dat ze mij naar hem gestuurd hadden. Voor de schrik kreeg ik een warme kop chocolademelk, maar het gekke is dat ik niet meer weet hoe we teruggegaan zijn. Mijn broer had dysenterie. Ik weet dat hij toen nog een paar weken thuis is geweest en toen weer vertrokken is. Toen heb ik hem inderdaad jaren niet meer gezien. Voor mij werd het er toen ook beslist niet beter op.

Oma Compas

Terug naar verhalen


In het gevang

Het eten werd al steeds schaarser, maar op de bon was toch nog wel het één en ander te krijgen. Maar ja, als je niets krijgt omdat een zekere oom daarvoor in de plaats wat wil, zijn er momenten dat je best wat zou lusten. Wat ik nu schrijf, heeft me tijden achtervolgd, maar nu kan ik er niet meer mee zitten. Ik heb van een mevrouw een broodbonnetje uit haar portemonnee gehaald en elf cent. Dat was toen de prijs van een half broodje. Of me dat lekker gesmaakt heeft weet ik niet. Wat ik wel weet is dat ik de hele nacht niet geslapen had en in gedachten de volgende dag verwachtte dat er politie zou komen om me op te halen. Ik had intussen aan een vriendin gezegd, wat er zoal daar bij mij in dat huis afspeelde. Dat had ik die oom gezegd en het werd hem zeker te heet onder z’n voeten, want op een dag nam hij mij mee naar het politiebureau en zei dat hij niet meer voor me kon zorgen omdat mijn vader geen geld meer stuurde. Ze stopten me zolang in zo’n open kooi waar een bed stond. Ik werd zo ontzettend bang dat ik daar de hele boel bij elkaar geschreeuwd heb. Er was daar intussen een N.S.B.-er of in ieder geval iemand van de verkeerde kant zoals dat genoemd werd hoofd van de politie. Die kinderpolitie, waar ik wel eens bij geweest was, kwam stiekem naar me toe om me te troosten, maar één van die kerels kwam eraan en ging zo tekeer tegen die man. Toen ik dat zag ging ik helemaal door het lint en die kerel begon toen ook nog te schreeuwen dat hij knettergek van me werd en dat ik weg moest. Hoe ik weggehaald ben weet ik niet, maar later op de middag zat ik in een gerechtsgebouw, in een grote ruimte, waar een politieman aan een bureau zat. Uren heb ik daar gezeten en af en toe belde die man ergens naar toe om te vragen of ze wel wisten dat er nog steeds een meisje zat. Die man praatte niet tegen me, zei helemaal niets. Ik was toen wel heel rustig. Misschien hebben ze me wel wat gegeven omdat ik ook niet weet hoe ik daar gekomen bent. Uur in uur uit zat ik daar maar op dat houten bankje. Een treurwilg die over een sloot hing kan ik nu nog aanwijzen. Die zag ik daar de hele middag. Eindelijk werd ik opgehaald en werd naar een huis van bewaring gebracht.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Met de trein naar ? 

Daar kom je dan in zo’n huis van bewaring als elfjarige. Een grote ruimte in een soort souterrain met van die getraliede raampjes. Afgezet aan één kant met een soort ijzeren hekwerk in de breedte en dat onderverdeeld was in vier afdelinkjes, waar net een bed kon staan. Er waren vijf meisjes. Ik vermoed dat die zo rond de negentien á twintig jaar waren. Eén had het erover dat ze daar zat omdat ze met een Duitser was. Een tweede vertelde dat ze beschuldigd werd van diefstal. Over die andere drie weet ik niets meer. Misschien hebben ze me ook niets verteld. In ieder geval was er denk ik ook toen al een cellentekort, want dat ene meisje sliep op twee naast elkaar geschoven banken. Daar moest ik toen ook nog bij. Er lag daar een éénpersoons matras op. Ik weet dat ik dat maar een vies ding vond. Het ergste was, dat dat meisje onder de zweren zat. Ze zei wel dat het niet besmettelijk was, maar ik vond het maar niets. Zeker niet om daar naast te slapen. Daar ben ik twee á drie dagen geweest. Op een morgen werd ik gehaald en mocht in een bad. Toen was dat nog een hele luxe, dus vond dat prachtig. Opeens zag ik dat bij de deur iemand gluren door zo’n kijkgaatje. Ik weet dat ik toen kwaad werd en ,,gemene gluurder !!” riep. Toen ging de deur helemaal open. Ik schrok toen wel, maar toen ik zag dat het een vrouw was, vond ik het al minder erg. Ze was wel aardig en vertelde me dat dat gluren daar normaal was. Ik moest opschieten zei ze en ze gaf me wat kleren. Met twee mannen werd ik naar het station gebracht. Die hadden speciale pasjes voor de trein. Er gingen haast geen treinen en die wel gingen waren overvol. Maar door die pasjes hadden we een voorrang positie, zodat wij er in ieder geval in mochten. Ik weet dat ik het prachtig vond, dat wij voor die lange rij wachtenden voor mochten. Het waren twee rechercheurs, die zich tegenover elkaar beklaagden, vanwege dat ze nu met z’n tweeën een klein meisje weg moesten brengen, terwijl ze soms een zware jongen alleen moesten doen. Die reis duurde uren en ook nog verschillende keren overstappen. En iedere keer die trein hartstikke vol. Die ene man nam me af en toe op schoot, vanwege plaatsgebrek. Hij vertelde me dat hij een dochtertje had net als ik. Ik vroeg hem toen of ik niet bij hem kon wonen, want het leek me wel een leuke vader. Achteraf kwam daar geloof ik wel wat emotie bij die man los. Hij probeerde heel voorzichtig me uit te leggen, dat dat niet kon. ,,Niemand wil me hebben”, zei ik hem. Er zou voor mij ook een andere tijd komen, zei hij mij. Nou ja, uiteindelijk kwamen we op de plaats van bestemming. Een tehuis met allemaal oudere meisjes. Het was een observatiehuis. De bedoeling was dat je daar drie maanden bleef en dan ergens heen ging, wat geschikt voor jou was. Maar vanwege de oorlog kwam daar niets van terecht.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Gebed zonder eind

In dat tehuis kwam ik 23 Augustus 1942 aan. Die datum weet ik nog zo goed omdat ik toen eigenlijk weer naar school gemoeten had. De zomervakantie was toen net om. Daar aangekomen moest ik eerst drie dagen alleen op een kamertje doorbrengen. Dat kamertje bestond uit een bed waar je niet op zitten mocht en aan de wand twee planken. Een hogere en een lagere als tafeltje en stoeltje bedoeld. Een matglazen raam waar je niet doorheen kijken kon met een gladde schuin aflopende, zeg maar vensterbank. Daarboven was een klapraampje. Met veel capriolen kon ik met een klein sprongetje via m’n bed daar opspringen. Als ik me meteen aan dat bovenste raampje vast kon houden, kon ik net even naar buiten gluren naar een stukje weg en een paar bomen. Dat was niet lang uit te houden, want dat gladde stuk marmer loog er niet om. Maar de hele dag in je uppie daar, was geen pretje. En zeker voor mij niet, die zo gewend was de hele dag op straat te zwerven. Vanaf de tweede dag mocht ik mee naar beneden, maar mocht met niemand praten. Moest toen ook op één velletje papier m’n levensbeschrijving schrijven. Had ik natuurlijk veel tekort aan en moest dat overdoen, maar dat lukte me niet. Kreeg toen m’n eerste straf. Geen rauwkost, wat meestal uit tomaten met komkommer bestond. Toen echt een lekkernij. Later meedraaien met het circus. ‘s Morgens in een werkjurk schoonmaken. De WC helemaal leegmaken en dan goed boenen. Er kwam af en toe iemand kijken of je dat goed deed, wat bijna nooit het geval was en dan mocht je hem eindelijk, na de zoveelste controle doortrekken. Vrijdags de vuilnisbakken buiten schoonmaken, ook al vroor het dat het kraakte. Met staalwol. Zo mooi die er uit moesten zien, zo mooi zijn mijn pannen nooit geweest. Zo waren er meer van die dingen. We droegen katoenen sokjes. Het was er altijd koud, maar het was natuurlijk ook oorlog, dus daar zat de hele bevolking mee. Maar zaterdags moesten we in het bad. Er was een al oudere sadistische linnenjuffrouw die je heerlijk in een kokend heet bad stopte. Je mocht niet even voetje voor voetje, nee pats er meteen in. Omdat je zo koud was, was dat beslist geen pretje en ze wist dat ik dan altijd misselijk werd, maar volgens mij vond ze dat leuk. 

Oma Compas

Terug naar verhalen


Weer naar school RokkCompas.jpg (7687 bytes) Rokk2Compas.jpg (13923 bytes)

                                            (klik op de plaatjes om ze te vergroten)

Wanneer je in zo’n tehuis kom moet je veel aanleren en afleren. Wees vooral niet spontaan, want dan zit je al in moeilijkheden. In die tijd mochten er alleen maar Duitse films gedraaid worden. Je had toen die films van Marika Rökk, maar in die films kwamen van die danseressen voor met lange blote benen en pluimen op hun hoofd. Veel glitter en zwier. Vond je als jong meisje prachtig. Er werd mij na een paar weken gevraagd wat ik wilde worden. Ik zei:,,Balletdanseres”. Ze keken me aan en er werd me duidelijk gemaakt, dat dat iets was, wat echt niet door de beugel kon. Na een paar maanden vroegen ze me dat weer. Ik dacht er nog net zo over, maar keek wel uit om dat te zeggen. ‘s Avonds kregen we les van een lerares. Taken waren dat. Die oudere meisjes deden over zo’n taak wel een paar avonden. Ik had er vijf op één avond klaar. Kreeg na die tijd iets moeilijker taken, maar vond het maar niets. Hoe dat toen gegaan is weet ik niet, maar ik mocht naar de M.U.L.O., zoals  dat toen heette. Waarom ik alleen, is me nog steeds een raadsel. Dacht eerst, vanwege de leerplicht, maar weet niet of die er toen al was. Na mij zijn er n.l. ook nog wel wat jongeren gekomen, maar die gingen niet naar school. Uiteindelijk had ik toen natuurlijk wel een voorkeurspositie. Kreeg wat nettere kleren aan. Er werd wel gekeken naar het heen en teruggaan. Daar kreeg ik vijf minuten voor. Als er iets was op school, zodat de tijd wat uitliep, belden ze meteen. Toch had ik een vriendin daar, die vlak bij het tehuis woonde. Op een keer hadden we ‘s middags gespijbeld en zijn we met haar moeder naar een dierentuin geweest. Maar toen het rapportentijd was, kneep ik hem wel, met de gedachten, dat er wel een dag verzuim op zou staan. Toen ik de meester na de dag van de dierentuin had gezegd dat ik die dag ziek was geweest, keek hij me aan en ik wist, hij weet dat ik lieg. Op m’n rapport stond geen verzuim. Voor m’n huiswerk kreeg ik een ziekenkamertje aangewezen, waar het ook warm was. De vakanties waren iets vreselijks voor mij. Dan moest ik weer gewoon met de malle molen meedraaien.

Oma Compas

Terug naar verhalen


De heks

De jaren t/m negen december 1945, verliepen voor mij vrij rustig. De linnenjuffrouw had het wel steeds op mij en nog een paar anderen gemunt. Ze zei tegen mij dat ik niet moest denken dat ik anders behandeld werd door haar omdat ik toevallig de jongste was en naar school mocht. Dus moest ik op een keer ook de verwarmingsketel bijvullen. Die was toen nog op kolen. Een joekel van een kachel en een kolenschep die voor mij haast niet te hanteren was. Wanneer ik daar kolen op had kreeg ik die schep haast niet omhoog om die kolen in die kachel te gooien. Mijn middagjurk zag er dan ook niet meer schoon uit. Dat mens had van die kleine gemene glimoogjes en ook nog een grote wrat met haar op haar neus. Met recht een heks. Als die oogjes begonnen te glimmen zag het er niet best voor je uit. Ze had een teiltje met gloeiend heet water gemaakt met flink wat soda en daar moest ik m’n jurk in wassen. Steeds was het niet naar haar zin. M’n handen lagen al helemaal open, maar toch moest ik doorgaan. En zij maar glunderen. Ze gooide net weer wat heet water erbij, toen er een leidster binnenkwam. Toen die m’n handen zag ging ze toch tekeer tegen die heks. Ze nam me mee naar de directrice en liet m’n handen zien. Die werden toen verzorgd, maar ik heb daar nog vrij lang last van gehad. Gelukkig was intussen de schoolvakantie voorbij. Het schrijven ging me nog niet goed af, maar ik mocht niet zeggen hoe ik aan die handen kwam. Moest zeggen dat ik m’n handen aan de kachel verbrand had. Maar of dat geloofd werd, heb ik m’n twijfels over. Een ander meisje uit een groot gezin, wonende niet ver van het tehuis, was voor de zoveelste keer weggelopen. Als straf werd haar haar afgeschoren en kreeg ze alleen wat oude vodden aan. En die heks weer glunderen. Het slachtoffer was altijd zo trots op haar mooie zwarte dikke krullend haar, maar ze liet zich niet kennen en zei:,,Nu ben ik Paddeltje geworden en Paddeltje loopt zo gauw als ze de kans heeft weer weg. Zo waren er verschillende incidenten.De bevrijding kwam en dus ook de dag dat ik vertrok. Ik moest naar een rechtbank. Mijn vader en moeder waren daar aanwezig. Weer een heel eind met de trein en weer door twee heren weggebracht. Het was hartstikke koud in december 1945. Eén van die heren gaf me z’n handschoenen en das te leen voor de kou. Ja, hoe het toen verder ging leest U in deel twaalf.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Een nieuwe toekomst ?

Daar sta je dan voor het hekje in de rechtszaal. Negen december 1945. Ouders aanwezig. Waar ik heen mocht, moest hier beslist worden. Veel keuzes waren er niet. Mijn vader woonde samen en dat was in die tijd natuurlijk onvergeeflijk. Ik kon kiezen tussen teruggaan of naar m’n moeder. Het werd dus m’n moeder. Op voorwaarde dat ik wel naar school moest. Nou dat werd natuurlijk beloofd en daar gingen we dan. Daar ontmoette ik dus ook weer m’n jongste broer. Vanaf de eerste dag begon m’n moeder al te zeuren over de school. Wat ik als meisje daar mee moest en het kostte alleen maar geld. Als ik schriften moest hebben werd er al gezegd: ,,Wanneer je in een betrekking bent verdien je een dubbeltje en nu moet je een dubbeltje uitgeven.” Een schooltas kreeg ik niet. Die oom had van twee jute zakken een soort tas gemaakt. Geen gezicht natuurlijk en daar werd ik op school danig mee geplaagd. Ik moest me een woordenboek aanschaffen; ook dat werd geweigerd. Gelegenheid om m’n huiswerk te maken werd me ook niet gegund, want het was toch heel begrijpelijk dat je je moeder hielp met de huishouding. Uiteindelijk kostte ik alleen maar geld. En zo ging het maar door. M’n broertje werd ook opgehitst en als ik thuis kwam werd er gezegd:,,Daar heb je m’n zuster met haar tas vol geleerdheid ook weer.” Als ik een grote mond gaf werd ik meteen gedreigd met m’n voogd. Die wel zou zorgen dat ik naar een tehuis ging tot m’n één en twintigste jaar. Daar was ik als de dood voor. Het ging op school met sommige vakken heel goed, maar waar ik de benodigdheden niet van had, minder. Maar om te zeggen waardoor dat kwam, kon ik niet. Het werd me uiteindelijk allemaal teveel en van de ene dag op de ander zei ik dat ik niet meer naar school ging. Het liep tegen de examens en het was m’n eer te na om het niet te halen. Na nog wat ellende kwam ik dus in de betrekking en meteen voor dag en nacht, want m’n moeder wilde me wel weer kwijt. De eerste tijd bracht ik nog netjes de helft van m’n salaris naar haar toe. Vier gulden van de acht. Ik had geld genoeg gekost, dus mocht ik wel wat terug doen volgens haar. Zo ging ik weer een nieuwe fase in.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Werk is goed voor U 

De dagen waren goed gevuld. ‘s Morgens eerst de winkel schoonmaken. Dan de toen zevenjarige dochter wekken en naar school helpen. Daarna het huishouden en ‘s middags de boekhouding, die toen nog netjes in een kasboek bijgehouden moest worden en dus alles uit het hoofd berekend moest worden. Vrij was er niet bij. Hooguit een paar uurtjes. Maar ‘s Maandags mocht ik ‘s avonds naar gymnastiek en dat betaalde zij voor me. En iederéén moest dat weten. Wie had er nu zo’n goede baas! Na ongeveer een half jaar kwam er nog een gezin bij waar ik heen moest. Kennissen. De ene avond ging ik naar de één toe en de andere avond weer naar de ander. Ik werd er niet beter door, maar zij deelde die acht gulden en kreeg ik dus van ieder vier gulden. Dit was een gezin met drie kleine kinderen en ook een winkel. Daar was ik hoofdzakelijk voor de kinderen en het huishouden. Ik had geregeld briefcontact met een vroegere leidster uit het tehuis waar ik was geweest. Die werkte intussen elders en vroeg me wel eens te logeren. Dat moest ik altijd weigeren, omdat ik nooit vrij had. Met m’n moeder en verdere familie had ik geen contact. Eindelijk was ik er achter gekomen dat mijn moeder geen moeder was. Op een gegeven moment gingen ze met z’n allen met vakantie. Plotseling kreeg ik veertien dagen vrij. Maar ik wist niet waar ik heen moest. Amper geld en ongeveer twee dagen daarvoor werd me dat verteld. Maar ik moest niet zeuren en dankbaar zijn dat ik zomaar veertien dagen vrij kreeg en ook nog doorbetaald. Dat was een luxe die niemand had. Ik ben toen op de trein gestapt en kwam huilend bij die leidster aan, want nogmaals, waar moest ik anders heen. En ik was al als de dood dat ze er niet zou zijn. Gelukkig wel dus en ik werd daar vriendelijk onthaald. Een pak van m’n hart. Ze vond het op z’n zachts gezegd onmenselijk zoals ze met me omgingen. Maar er kwam nog meer.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Diep ongelukkig

Die tijd werd ik me er van bewust dat ik niets en niemand had. Droomde gewoon om maar een leuke vriendin te hebben, maar alles werd afgeketst. Als je zo’n vijftien, zestien jaar bent begin je toch te beseffen dat niet alles jouw schuld is. Op de gymnastiek was een heel aardige jongen die me al verschillende keren gevraagd had samen naar de bioscoop te gaan. Die was schuin tegenover de winkel waar ik werkte. Op een gegeven moment alle moed bij elkaar geraapt en ik samen met hem naar de bioscoop. Toen die uitging werd ik al opgewacht en werd letterlijk en figuurlijk alle kanten op geslagen richting huis. Dat slaan vond ik niet eens zo erg. Maar ik schaamde me dood en zag er verschrikkelijk tegenop om die jongen die week daarop weer onder ogen te zien. Maar dat hoefde niet, want ik mocht daar meteen niet meer heen. Ik had hun goedheid beschaamd. De ouders van Mevrouw zouden komen logeren. Dat wil zeggen, ze hadden een boot die vlakbij in het kanaal lag. Daar konden ze ook slapen,maar de lui vonden het gezelliger als ze ‘s avonds daar bleven. Ik moest van m’n kamer af en naar zolder.  Kreeg een vieze oude slaapzak en een kussen en met ‘s nachts de muizen over me heen dansend kwam ik de nacht door. Die ouders waren al wat op leeftijd en konden wat moeilijk trap lopen en dachten dat ik daar boven in een slaapkamertje in een bed lag. Toen ze me vroegen waarom ik er zo slecht uitzag en ik hun over die muizen vertelde, wilden ze daar niet meer slapen en gingen ‘s avonds naar de boot. Uiteindelijk kregen ze samen ruzie, want die ouwetjes vonden dat ik onheus behandeld werd. Ze zeiden dat ze me ‘s middags met hun dochter naar het zwembad moesten sturen en me meer vrijheid moesten geven. In ieder geval werd de vakantie vroegtijdig afgebroken en dat was dan mijn schuld. Op een zekere dag hoorde ik dat ze een andere hulp zouden nemen. Mij werd niets gezegd, maar er werd niet meer tegen me gesproken. Alleen maar bevelen uitgedeeld en gesnauwd. Zelf was ik toen ook aan het eind van m’n Latijn. Na veel wikken en wegen en slapeloze nachten besloot ik maar weg te lopen. Dus op een vroege ochtend, toen ik eigenlijk de winkel schoon moest maken, ben ik naar het station gegaan en toch maar weer op de bonnefooi naar die leidster van het tehuis. En gelukkig was die thuis en kon ik daar op dat moment weer terecht. Maar toen kwam m’n voogd weer op de proppen, maar daarover weer de volgende keer.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Een nieuwe kans 

Toen ik een paar dagen bij de leidster in huis was, moest ik op een middag op haar fiets weggaan en mocht niet eerder terugkomen dan op een bepaalde tijd. Dat vond ik beslist niet erg, want het was een zo goed als nieuwe fiets, prachtig weer en een mooie omgeving. M’n liefje wat wil je nog meer. Later kwam ik aan de weet dat mijn voogd daar was geweest. Zij was ook bang dat hij me mee zou nemen en naar een tehuis zou brengen tot m’n een en twintigste. Als ik geweten had dat die man daar was, was ik geloof ik nooit teruggekomen. Wat had ik die middag genoten. Dat was zo’n luxe voor me. Ze had hem op z’n nummer gezet, door hem erop te wijzen dat hij jaren niet naar me omgekeken had en nooit naar me geïnformeerd had. Omdat ik met haar steeds in contact was gebleven, wist ze van de hoed en de rand. Intussen had zij niet stil gezeten en had in een meisjestehuis, waar zij ook gewerkt had, wat voor me geregeld. Ik bekeek dat natuurlijk met argusogen, maar kwam daar toch terecht. Het was een tehuis waar je precies een jaar verbleef, maar waar je in de gelegenheid werd gesteld om een diploma te halen. Met de directrice ben ik naar Amsterdam geweest om getest te worden. Kon worden wat ik wilde. Er waren meisjes die het niet redden, maar ik had voor me zelf vastgesteld twee diploma’s te willen halen en er geen jaar te blijven. Ik kwam er in maart en in augustus en in oktober waren er examens, die ook in Amsterdam afgelegd moesten worden. Het was een mooie grote villa, met een prachtige tuin. Wanneer we vrij waren mochten we daar vertoeven. Alleen niet het hek uit. Nou ja, vergeleken met dat vorige tehuis waar alles op slot was en waar je nooit tijd voor jezelf had, was dit een hele verbetering. Ook al ten opzichte van die voorgaande jaren waarin ik gewerkt had. Om de zes weken mocht je een weekend naar huis, maar als je meer dan drie strafpunten had ging dat niet door. Door een hele emmer aardappelen te schillen in je vrije tijd of andere klusjes, kon je een punt kwijtgescholden krijgen. Ik kon nergens heen, dus of ik nou een puntje meer of minder had, maakte me niet zoveel uit. Ik had daar ook een vriendin en die kreeg ook wel eens bezoek van haar moeder. Ik had intussen m’n eerste diploma gehaald en liep stage in het dorp. Wanneer je wat kreeg moest je dat afgeven. Zij had een rijksdaalder van haar moeder gekregen en vroeg mij of ik daar wat van wilde kopen. Veel was er toen nog niet te koop, van lekkere dingen. We sliepen op een grote zolder met chambrettes, zoals ze dat noemden. Allemaal hokjes waar net een bed kon staan en een kastje. Maar toch iets voor je eigen. Als je daar pas kwam moest je eerst op een slaapzaal. Zij lag vlak bij de wasbakken. Van dat geld had ik tien taaipoppen gekocht en die bij haar onder de dekens gestopt. Ik treuzelde wat bij het wassen totdat zij haar bed instapte. Ze begon te gieren van het lachen en ik ook natuurlijk. Iedereen maar vragen wat er aan de hand was. We konden niets zeggen natuurlijk. Maar voor je vijf van die dingen weggewerkt had, was een heel werk.Vooral omdat het ook stiekem moest.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Diploma twee

Voor diploma twee moest ik nog heel wat doen om het te halen. ‘s Nachts ging ik stiekem met m’n leerboeken naar de WC om daar een paar uur te leren. Uiteindelijk zat ik dus wel weer voor de tweede maal in de examenklas. Helaas kwam daar de spanning eruit. Er mocht daar natuurlijk niet gesproken worden enz., maar wat te doen als je voelt dat je moet overgeven. Ook zat ik nogal achteraan, dus daar loop je dan. Er kwam meteen iemand op me af en ging met me mee. Ik mocht stoppen en een volgende keer terugkomen, maar dat wilde ik beslist niet omdat ik mijn plan al klaar had om op eigen benen te staan. Ik heb het gehaald maar de cijfers, nadat ik ziek geworden was, logen er niet om. Een stuk lager. Dat was m’n eer te na, maar ik had het gehaald en daar ging het om. De directrice was zo trots op me, maar ging daar wel een beetje ver in. Een meisje waar ik uiteindelijk helemaal niet mee omging, kreeg de schuld om het feit dat ik ziek geworden was. Zij liep stage bij een dokter en haar werd verweten dat ze me pilletjes gegeven had. Ik kwam haar huilend tegen en ik vroeg haar wat er was. Daarna ben ik meteen naar de directrice gegaan en heb gezegd dat daar totaal niets van aan was. Kwam toen meteen met het plan om me eerder weg te laten gaan, maar daar voelde ze niets voor. Ik was hevig gebelgd. Er was een meisje en die vertelde me dat ze weg wou lopen, want leren had ze totaal geen zin in en ze wou weg. Mijn stemming was toen ook zo dat ik daar wel wat voor voelde. Wij op een zaterdagavond stiekem er vandoor. Eerst een heel stuk gelopen en ergens bij een singel zogenaamd slapen, waar natuurlijk niets van kwam. We hadden honger, dorst en we hadden het verschrikkelijk koud. Fietje zei dat ze terug wou. Mijn aard was zo, dat ik beslist niet op hangende pootjes terug wou. Maar ze dorst niet alleen. Samen uit, samen thuis. Wat moet je ook met geen rooie cent en nergens een plek waar je heen zou kunnen. In donker waren we terug in de stad.  Er liep een politieman met een fiets en ik heb hem gevraagd ons naar het politiebureau te brengen. Na ons verhaal aangehoord te hebben, haalde hij uit z’n fietstas voor ons ieder een appel. Bij het bureau aangekomen werden we na een kleine ondervraging in een cel gezet. Er was daar een stapelbed en een WC waar allerlei opschriften op de muur waren gekrast o.a. deze: “In deze hut, waar geen vogel zingt, laat een mens wat vallen, dat geweldig stinkt.” Na 58 jaar weet ik dat nog, dus zal ik dat toen wel erg leuk gevonden hebben.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Aardige agenten 

In die cel was het niet naar, want we werden intussen weer warm en die agenten waren heel aardig voor ons. Achteraf hoorden we dat ze ons eigenlijk direct terug wilden brengen, maar de directrice had gezegd dat we voor straf één nachtje in die cel moesten blijven. Hoe Fietje dat voelde weet ik niet, maar met mijn verleden moest er heel wat gebeuren om me bang te maken. Die zondagmorgen kregen we heerlijk vers brood met worst en als ik daar nu nog aan denk, geloof ik dat ik nooit zo’n lekkere boterham heb gehad. Zal wel verbeelding wezen en na die zwerftocht lustte we ook wel wat natuurlijk. Zondagmorgen gingen we dus in een gewone luxe auto terug. Twee agenten voorin en wij daarachter. Hartstikke gezellig. Ze reden heel langzaam. Maakten er eigenlijk een toeristische route van. Vroegen of we nog naar de kerk wilden, want daar gingen we altijd zondags naar toe. Omdat we aangaven liever niet daar naar toe te gaan, zijn ze er alleen maar langs gereden. We werden toen al wat stilletjes, want wisten niet hoe de ontvangst zou zijn. Het was zo’n huis met een groot bordes. Bij aankomst stond de directrice daar boven op de trap. Eerst ging Fietje daar naar boven en die werd me daar toch uitgekafferd en naar binnen gestuurd. Toen was ik aan de beurt en ik dacht te weten wat mij nu ook te wachten stond. Maar dat pakte anders uit. Ik werd omarmd en ze zei: “Loesje, waarom heb je dit toch gedaan? Ik ben zo trots op je. Net je diploma’s gehaald en dan laat je je verleiden om dit soort dingen te doen.” Natuurlijk was ik helemaal perplex, want ik liet me beslist niet verleiden voor dingen waar ik zelf niet achter stond. Ik zei ook dat we beiden net zoveel schuld hadden. We werden naar de ziekenkamer gebracht en moesten we ‘s middags blijven om uit te slapen. Een paar dagen daarna vertelde de directrice mij dat ik toch eerder weg mocht en wel naar m’n jeugdplaats. Normaal had ik daar tot 15 maart moeten blijven, maar mocht nu 9 december weg. Ze had een baan voor me in het ziekenhuis daar, dus ik was zo blij als maar kon. Maar vlak daarna moest ik bij haar komen en vroeg ze me naar die vroegere kerel waar ik bij ingewoond had. Die hadden ze opgepakt vanwege zedelijke delicten met jonge meisjes. Als de dood was ik, want ik was veel te bang dat hij me zou herkennen als ik daar kwam te werken en hij me alsnog met een mes zou bewerken. Ik moest geloof wel drie keer op het matje verschijnen, maar bleef ontkennen dat er maar iets met mij gebeurd was. Dat zal de jonkheid dan wel wezen denk ik, want uiteindelijk heeft zo’n kerel minder straf gekregen dan hij verdiende. Vooral omdat ik bij hem in huis had gewoond en dat het in die jaren had plaatsgevonden. Maar ja, nogmaals, de angst zat er nog zo in en kwam toen ook weer naar boven. Hoe ik daar mee omging, toen ik eenmaal weer in de stad was komt in het laatste deel aan de orde.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Happy End 

Daar kom je dan weer in een nieuwe fase in het leven. In een groot ziekenhuis, waar je heg noch steg kent. Maar ik werd meteen al door Evelien wegwijs gemaakt. Er was een grote zaal/kamer met zeven van die grote ziekenhuisbedden en als laatste kreeg je de minst aangename plek toegewezen. Vlak bij de wasbakken, waar de waterspatten je soms om de oren vlogen als iemand zich daar aan het wassen was. Evelien probeerde me gerust te stellen en verkondigde me dat ik rustig kon gaan slapen, want ze versliepen zich nooit. Toevallig dus wel op mijn eerste werkdag. ‘s Morgens werd ik dus een deur ingeduwd en de anderen maakte dat ze wegkwamen, want die hoofdzuster was geen lekkertje. Nou, ik kreeg heel wat te horen. Dat ik me moest schamen om op zo’n eerste dag te laat te komen. Voor straf kreeg ik geen ontbijt, want ik moest eerst nog maar laten zien of ik van aanpakken wist. Omdat ik nog geen achttien was kon je nog niet aan een opleiding beginnen en werd ik ingezet bij de huishoudelijke dienst. Er was een rasechte Amsterdamse (Rietje) en die moest mij inwerken. Die zei:,,Mosten ze mij flikken om me geen eten te geven, was ik zo weg.” Ik had het niet meer. Vond het natuurlijk verschrikkelijk dat ik niet op tijd was. Met Rietje moest ik afwassen. De nachtzusters moesten ‘s morgens verplicht warm eten en wij zorgden dus voor de tafels en uiteraard de afwas. Rietje kwam al gauw stiekem met een boterham voor me en stelde me gerust met de woorden:,,Blaffende honden bijten niet.” Evelien was al in de twintig en verloofd. Zij vond het nodig om wat op me te passen. Als ik uitgenodigd werd door een paar meisjes om te gaan stappen of zo, maakte zij uit of ik wel of niet mocht gaan. Vaak zat ik met haar op één bed te borduren of breien en maakte ze me ook wegwijs in huishoudelijke dingen. Eigenlijk was ik heel braaf, maar ik voelde me daar ook wel veilig. Op straat had ik nog altijd het idee, die kerel tegen het lijf te lopen. Met Evelien kreeg ik een heel goede band en haar vertelde ik dus ook van m’n angst en waardoor. Ze zei me dat ik in die jaren zo veranderd was, dat hij me niet eens zou herkennen en waarschijnlijk vast zat en sowieso in de gaten gehouden werd. Dat gaf me gelukkig een vrijer gevoel en later ebde die angst gelukkig helemaal weg. Nadat Evelien getrouwd was heeft zij en haar man altijd nog contact met me gehouden. Evelien is een paar jaar geleden overleden en met haar man heb ik af en toe nog contact. Dat is echt een vriendschap voor het leven zoals ze dan zeggen. In die tijd heb ik natuurlijk ook m’n eerste vriendje leren kennen. Allemaal met goedvinden van Evelien. Ach en dan gaat dat uit. Uiteindelijk ben ik ook in het huwelijksbootje gestapt. Dat heeft me twee zoons en een dochter en zes kleinkinderen opgeleverd. Maar m’n jeugd staat nu op papier en dit was dus het laatste deel.

Oma Compas

Terug naar verhalen


Zo groen als gras

Ik ben van 1931 en vroeger werd je nu niet bepaald voorgelicht. Zeker niet vanuit een tehuis, waar ik o.a geweest ben. Ik kwam in een ziekenhuis te werken en was 17 jaar. Iedere keer hoorde ik dat Grietje moest trouwen. Daar snapte ik niets van. En iedere keer dacht ik, als je niet wilt trouwen doe je dat toch niet? De bruiloft brak aan. Die werd gevierd bij een familielid. Wij, met een paar collega,s ook daar heen. Grietje werd door ons gefeliciteerd, dus ook door mij en wel als volgt:,,Grietje, hartelijk gefeliciteerd. Ze zeggen allemaal dat je moet trouwen, maar als je dat niet wilt doe je het toch niet?” Het was meteen stil in de familiekring en allemaal kijken naar,,het buikje”. Later werd me het uitgelegd, maar het leed was al geschied. Ze droeg een mooie witte trouwjurk en alleen de wederzijdse ouders wisten van ,,het moetje”. Toen niet meer natuurlijk.

Oma Compas

Terug naar verhalen


X

We gebruiken cookies om er zeker van te zijn dat u onze website zo goed mogelijk beleeft. Als u deze website blijft gebruiken gaan we ervan uit dat u dat goed vindt. Meer informatie

Wij gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website voor de bezoeker beter werkt. Daarnaast gebruiken wij o.a. cookies voor onze webstatistieken.

Sluiten