Home / Gedichten / De pauw en de raaf

De pauw en de raaf

(Willem Bilderdijk 1756 - 1831)
Met dank aan Jeanne Albers voor het insturen van de tekst

“Geef”, sprak de pauw “gij raaf, purperroode brozen (1),
Zij passen bij mijn fraai met goud doorstikt gewaad:
Ge ontstalt ze in mijn slaap en ‘k zag den dageraad
Sinds daaglijks over mij om ’t vuile schoeisel blozen,
Dat bij uw kleeding voegt, maar bij mijn dosch misstaat.”

“Vooral niet”, zei de raaf,” ik weet van geen ruilen;
Doch had gij de misslag plaats, zoo heeft ze plaats in ’t kleed.
Geef gij me uw veedrenpronk waarop ge u dus vermeet;
Mijn laarzen passen aan mijn voeten; u , die vuilen,
Waarmee ge in zotten praal op mest- en vuilhoop treedt.”

De schildpad zat dien twist eerst zwijgend aan te hooren,
Doch eindelijk roept zij uit:”De raaf heeft groot gelijk;
De hoogmoed stelt niet slechts hetgeen hij heeft te prijk,
Maar heeft natuur aan elk zijn eigen deel beschoren.
Die rijk is wil altijd nog rijker zijn dan rijk”

(1) laarzen