
De mensch, zoo werd ook mij geleerd,
Heeft, maar ook hij alleen,
Twee handen, spraak, verstand en wil,
Hij staat nummer één.
Dan komt de aap, het is bekend,
Dat het vier handen heeft,
Dat er zeer vele soorten zijn,
Dat hij verschillend leeft.
Dan volgen and’re orden nog,
Eerst later komt het paard,
Met eigenschappen, breed vermeld,
Met manen en staart.
‘Eenhoevige’ noemt men ’t edel dier,
Waardoor ’t zich onderscheidt,
Van rund en zwijn en ander vee,
Waarbij de hoef zich splijt.
Men late ’t onderscheid toch gaan,
Dat ik u aangaf hier,
En geve een meer gepasten rang,
Aan ’t schoonst en edelst dier.
Nog eens, geeft ’t paard een and’re plaats,
Een plaats , die het verdient,
In ’t dierenrijk, ge kwijt dan ’n plicht,
Van dankbaarheid aan ’n vriend.