
Een tuinman snoeide rozen in een gaarde,
Gelegen in een duivengrijze streek,
Het was opeens, dat hij de Dood ontwaarde,
Die roerloos, spottend grijnzend naar hem keek.
Zijn adem stokt, hij beeft en wordt zeer bleek,
Zou graag nog toeven op de goede aarde,
Die hem zo weinig zorgen baarde,
Voor hem steeds mild en goedertieren bleek.
Dan ijlt hij tot zijn meester, die hem wenkt,
Hij stijgt te paard en rent naar Ispahan,
Waar hij zich voor de Sombere veilig denkt.
Des avonds, in de schijn der halve maan,
Doemt weer de Dood, die de heer de mare brengt:
Ik kom vanwaar uw knecht is heengegaan.