
Ik heb ze al een jaar of wat gemist
De kleine hoog-en-verspring topatleten
Die ook nog danig aan je kunnen vreten
Ze gingen met de kater in de kist
De spuit, ik had me ervan vergewist
Dat ik geen enkel hoekje was vergeten
Want leven met een vel vol vlooienbeten
Is lang niet als een roos van de bloemist
Maar ja toen meldde zich die aanlooppoes
Een prachtig beestje, echt om van te hou’en
Ze ligt op schoot te spinnen, laat zich krauwen
Beurt mij dan op gelijk een warme douche
De vlo die in mijn broekspijp hoger kroop
Beschouw ik als een toegift op de koop