
Wie zijt Gij Heer met zoveel macht,
Met zoveel eigenschappen U toebedacht.
Onsterfelijkheid en nog veel meer.
Genadig God, U als Opperheer.
Als kind kon ik zingen en in U geloven,
U ter eer, maar opeens ging dat niet meer.
Na Auschwitz kwam de twijfel in mij boven.
Hoe kon ik nog in Uw bestaan geloven?
Hebt U ze gehoord de vele, vele gebeden,
Die toen naar Uw hemel zijn gestegen?
Hoeveel heeft Uw volk moeten lijden
En voor hun leven moeten strijden?
De miljoenen doden in de vele kampen.
Misleidingen en de angsten waren rampen.
Pijnlijke experimenten met levende mensen.
Vernederingen die wij niemand wensen.
Ik kon het bijna niet meer verdragen,
Om U ook nog maar iets te vragen.
Toch bleef ik getuigen in woord en daad,
Omdat gewerkt werd aan een eigen staat.
Het Volk terug in zijn eigen historisch land.
Oorlogen waren nog niet eens aan de kant.
Blijf vechten, houd moed, bedenk het wel,
Steun daarom terecht, een Herboren Israël.