
Wij, zwervelingen, zonder land
Wij zijn maar arme klanten;
Wie meer geld hebben dan verstand,
Die mogen lanterfanten.
Wij springenhoog en laag
Wij moeten ’t loodje leggen;
Wij dansen met een leege maag…
De centen die gezeggen.
Van oudsher was de koning baas
Vanwege onze zonden;
Nu is hij houten Klaas,
En heeft zijn baas gevonden.
Wie er als kroon of scepter draag
En louter gouden kleren,
Al springt hij hoog, al springt hij laag
De centen commanderen.
Voor ’t leger staat de generaal,
En leert de mensen moorden,
De dappere helden allemaal,
Zij vliegen op zijn woorden.
Toch heeft hij met zijn gouden kraag
Geen donder te beweren;
Al springt hij hoog, al springt hij laag,
De centen commanderen.
Wie leidt ons land, waar staat ons dak?
Wij leven van de gunsten.
Voor wie maar centen heeft op zak,
Vertoonen we onze kunsten.
Maar breken we ten lest den nek,
Dan kunnen we wat krijgen
Een mondje vol, een lekker dek,
Een hoekje voor ons eigen.