
Ik ging eens om een broodje,
De bakker was niet thuis,
en toen de bakker niet thuis was,
ging ik weer naar huis.
Ik ging eens naar de mensen
en sprak ze allen aan,
al ken ik vele talen,
geen mens heeft mij verstaan.
Ik ging naar alle deuren,
waar ’t venster was verlicht,
zo hard kon ik niet kloppen,
of elke deur bleef dicht.
Ik ging eens naar een kamer,
waar ik me welkom wist,
de deur bleef afgesloten,
ik had me dus vergist.
Ik ging naar alle boeken
en vroeg ze alle raad,
maar geen dat mij kon zeggen,
wat niet geschreven staat.
Ik ben toch eens geboren
en ga dus ook eens dood,
zolang ik nog moet leven,
ga ik maar steeds om brood.