
Ik ben vaak met Jezus door het stille veld gegaan.
Wanneer de avond rustig openbloeide
Als dan Zijn zacht gelaat mijn oogen boeide,
Volgde ik willig, zonder weif’lend stil te staan.
Maar later op den verren vreemde weg,
Ben ‘k Zijn gestalte uit het oog verloren
Mij kon Zijn stille lach niet meer bekoren
En verder ging ik, zonder overleg.
En ‘k ben alleen den vreemden weg gegaan
In vagen verten zag ik Hem nog wenken
Maar ’t harte wilde niet aan Jezus denken
Toch— toen ik keerde zag Hij mij vergevend aan.