
Laat nu al wat Neêrland heet,
Wat zich met die naam durft noemen,
Al die velden geel van bloemen,
Weiden in het wit gekleed;
Waar, in ’t haastig overijlen,
Wolken smachtende verwijlen;
Waar de leeuwerik vol vuur,
Stijgend in het hemelsblauwe
Soms verstomt bij ’t nederschouwen,
Voor die zalige natuur;
Laat de visser in het duin,
Laat de landman met zijn spade,
Laat de losser op de kade,
De heraut met zijn bazuin,
Zich in diepe ernst beraden
Op een levende aubade,
Die de landsvorstinne eert
Die een halve eeuw regeert;
Die vaak in de hand geborgen
’t Hoofd verschool in smart en zorgen,
Door de last schier overmand;
’t Levend hart van ’t Vaderland,
Moeder van de lage landen,
Die, geliefd als geen vorstin,
Wordt gedragen op de handen;
Wilhelmina, Koningin.